Golden story:
Elkaar echt zien
“Achter alle ellende zit altijd een verhaal”
Al ruim zestig jaar loopt Henny Tinga (81) als heilssoldate rond op de Amsterdamse Wallen. Een plek waar ze heeft gewerkt, volwassen is geworden én zich thuis voelt. Hoewel ze inmiddels met pensioen is en buiten de ring woont, is ze hier nog vaak te vinden. Om te koken voor kwetsbare, soms dakloze mensen, gewoon voor een praatje of om een deel van de kerkdienst te leiden. “Het voelt voor mij goed om een ander te helpen, ongeacht waar die vandaan komt.”
Henny Tinga komt uit een echte Leger des Heils-familie. “Alle vier mijn grootouders waren heilssoldaat, en mijn vader ook. Zeventien jaar was ik, toen ik begon. Ik bakte niks van de mulo en mijn vader heeft via majoor Bosshardt een baantje geregeld. ‘Kom maar met dat kind’, zei ze. Ik kon direct aan de slag als gastvrouw in de inloophuiskamer aan de Oudezijds Voorburgwal.” Hoewel ze zich snel op haar gemak voelde binnen het Leger, vond ze het werk ook een beetje spannend. “Ik moest koffie schenken aan mensen uit een heel ander milieu: dakloze Harrie, Frits van de wereld… Maar zo leerde ik de buurt wél heel goed kennen. En mezelf.”
Van een verlegen, schuchter en onzeker meisje – dat binnenkwam bij het huis met de rode luiken op nummer 14 – verandert Henny door de zorg van de majoor in een mooie bloem, zoals ze het zelf zegt. “Ik heb me kunnen ontwikkelen. Door écht te luisteren naar de ander. Wat nou, om te denken dat wij het veel beter hebben en meer waard zijn dan de ander? Ik ga graag in gesprek met mensen waar veel voorbijgangers met een grote boog omheen lopen.” Daarnaast heeft ze zelf ook veel te danken aan het Leger. “Henny, als vrouw moet je ook voor jezelf kunnen zorgen’, zei de majoor altijd. Dat weet niet iedereen, maar het is aan háár te danken dat mensen zoals ik een opleiding konden volgen. Ik heb de avondmulo gedaan, hbo maatschappelijk werk en uiteindelijk een master in management gevolgd. Het heeft mijn blik verruimd en daar ben ik heel dankbaar voor.”
Bijdragen aan de wereld
Zolang het nog kan, gaat ze met dit werk door. “Nog zeker twee keer per week rijd ik met mijn auto naar de binnenstad van Amsterdam om een maaltijd te serveren of bij mensen op bezoek te gaan. Dat is belangrijk: we bieden mensen iets warms, er is contact én verbinding. Ik sta altijd open voor een praatje. Natuurlijk, de wereld verandert. Mensen komen en gaan. Maar ik ben ervan overtuigd dat het altijd goed is als je wat voor een ander probeert te doen. Dat je iets bijdraagt aan de wereld, aan de aarde, en niet te veel ruimte inneemt.” Naast voldoening, geeft dit werk haar ook ritme en aanspraak, vertelt ze. Zeker na het overlijden van haar man Koos. “Enige tijd na het afscheid stond ik met mijn ziel onder mijn arm op de ‘mannenmaaltijd’ in Amsterdam; een groot aantal van hen is dakloos. Ik voelde me eenzaam en verdrietig. Zij keken me aan en zeiden: ‘Maar Henny, wij zijn er toch nog, je kunt altijd op ons rekenen.’ Dat is toch prachtig?”
Liefdevol omkijken
“Ik voel me thuis in contact met anderen, op wat voor manier dan ook. Nu weet ik: het gaat om het ontmoeten van elkaar. De ander écht zien. Daar geniet ik nog dagelijks van. Zo ook in de gouden koets: het was zo mooi; mensen uit diverse gemeenschappen zaten naast elkaar. Het is belangrijk dat we liefdevol naar elkaar omkijken. Je kunt wel zeggen dat ik dit geleerd heb door mijn werk voor het Leger des Heils.” De warmte en genegenheid van het Leger heeft Henny altijd getrokken, en nog steeds. “Wij werken met mensen waar het leven niet altijd aardig voor is geweest. Mensen die met de nek worden aangekeken, door anderen die alleen de buitenkant zien. Maar achter alle ellende zit altijd een verhaal. Ik ben blij dat ik mijn verhaal ook op deze manier mag delen, vanuit de nieuwe gouden koets. Ik ben opgevoed met de gedachte dat wij gered zijn om anderen te redden, maar daar denk ik al jaren anders over. We hebben elkaar nodig, weet ik nu. Het is niet alleen geven, maar ook ontvangen. Als je de ander écht ziet, is dat het grootste geschenk dat je kan krijgen in het leven.”



